Op deze pagina vindt u een selectie uit de verhalen van "Fjildman"die ons erelid Kees Kinderman jarenlang voor u schreef in de Ratelaar.

Als het riet in het voorjaar flink begint te
groeien en wij het warme bed niet al te laat hebben verlaten, dan kunnen we in
de uitgestrekte rietvelden een naaimachine zachtjes horen snorren. Het is echt
zo’n geluid van rrrrrrr. Er zijn twee vogeltjes die dit geluid maken. De één is
de snor en de ander is de sprinkhaanrietzanger. Dit laatste is een lange naam en
dat komt leuk uit, want het snorrend geluid van de sprinkhaanrietzanger is een
heel lang aanhoudend rrrr-geluid. De snor is een korte naam en zijn rrr-geluid
is dan ook korter. Met dit ezelsbruggetje kunt U deze beide zangvogeltjes uit
elkaar houden. De snor kunt u vanaf half april in de rietvelden tussen Earnewald
en Grou beluisteren. Ook s’avonds laat de snor in het broedseizoen zijn geluid
dikwijls horen. Te zien komt men dit veertien centimeter kleine vogeltje bijna
nooit. Daar komt bij, dat het helemaal geen opvallend vogeltje is. Het is net
als bij de meeste zangvogeltjes overwegend bruin, met aan de onderkant wat
lichter van kleur. Dit is dan ook de reden dat men ze vroeger vergeleek met
mussen. Alleen zij leven en broeden in het riet en dat doen mussen niet. Een
ander verschil met mussen is dat de snor een spits snaveltje heeft. Dat hebben
ze nodig, want het is een insecteneter. Bovendien is van hem bekend, dat hij ook
spinnetjes erg waardeert. Voor zo’n klein vogeltje Bouwt het mannetje een vrij
groot nest van riet en zeggen. In overjarig riet weet hij dit nest perfect te
verbergen. In mei legt het vrouwtje in dat nest 4 tot 5 eieren, welke in twaalf
dagen door haar uitgebroed worden. Ook de jongen worden door haar verzorgd.
Eigenlijk is dit behoorlijk ongewoon, daar het mannetje en vrouwtje niet veel in
kleur verschillen. Meestal is dat een aanwijzing dat de beide partners evenveel
zorg aan het broeden en voeden besteden. De snor is hierop een uitzondering. De
jonge vogels verlaten na twee het nest. Met dat het vrouwtje van de snor begint
te broeden, stopt het mannetje met zijn gesnor en leiden beiden een stiekem
leven. De naam heeft dit eenvoudige vogeltje te danken aan het geluid dat hij
maakt. Maar at komt bij heel veel vogels voor. Half september verlaten ze onze
rietvelden en vliegen dan naar Oost-Afrika, waar ze net boven de evenaar
overwinteren. Begin april komen ze terug om in Europa voor nageslacht te zorgen.
De Latijnse naam is Locustella Luscinioides.
Made betekend in dit verband, weidegrond en
daarmee hebben we de vindplaats van dit liefelijke plantje reeds aangegeven.
Overal waar gras wil groeien, kunnen we haar vinden. Het plantje komt in geheel
Europa voor tot ver in Noord-Scandinavië. Het bloeit bij ons het hele jaar
door. In elke maand kan men bloeiende madeliefjes vinden, soms zelfs onder de
sneeuw. De hoofdbloei valt in Mei en daaraan dankt zij haar tweede naam, die
Meizoentje luidt. Op sommige plaatsen kunnen ze dan in grote getale bij elkaar
staan. Op de grond heeft zij een krans van spatelvormige bladeren, wat we een
wortelrozet noemen. Uit het hart van dit wortelrozet ontwikkelen zich de zacht
behaarde onvertakte stengels, die aan de top een bloemhoofdje hebben met een
krans van witte lintblaadjes en een hartje van gele buisbloempjes. Aan de
onderkant kunnen de witte lintblaadjes wel eens wat roodachtig zijn. Soms zijn
de lintbloempjes ook aan de bovenkant iets roodachtig. Het is één van de meest
bekendste planten en komt heel algemeen voor. Het madeliefje is overblijvend en
groeit daardoor elk jaar op dezelfde plaats. Het wortelrozetje heeft tot taak om
regenwater op te vangen en dit af te voeren naar de wortels, maar het dient ook
op andere planten op afstand te houden. Door dit wortelrozet weet het madeliefje
zich behoorlijk te handhaven. Over dit plantje doen vele volksverhalen de ronde,
waarin reinheid en de onschuld een rol spelen. Ook is het madeliefje gewijd aan
de Maagd Maria, want het plantje zou ontstaan zijn uit de tranen welke Maria
huilde bij haar vlucht met het kindeke Jezus naar Egypte. Een ander verhaal
vertelt dat als men het bloemetje plukt op Sint jan (= 24-06) tussen twaalf en
één uur zij geheimzinnige krachten bevat, die tot meerdere zaken in staat zijn.
Sommigen denken dat het madeliefje geneeskrachtig is. Men moet daartoe drie
theelepels bloesem laten trekken op een halve liter kokend water. Van de zo
ontstane thee mag men drie maal daags een theelepel innemen. Het zou zo
zuiverend werken. Het leuke plantje is niet giftig en in de moderne geneeskunde
wordt het bijna al niet meer aangewend. Er zijn een tiental soorten
madeliefjes bekend, waarvan de mesten ontstaan zijn als kweekproducten op diverse tuinderijen. Er is zelfs een variëteit met allemaal lintbloemetjes en geheel rood. De Latijnse naam is Bellis perennis. Een enkele keer
wordt er een heel merkwaardige afwijking gevonden.
In Amerika en Europa zijn van leverkruid
ongeveer zeshonderd soorten bekend. Het is een vrij hoge plant met een lengte
van een halve tot soms wel twee meter hoog. Aan de vrij stevige stengel, die
soms een beetje houtachtig aandoet, zitten de bladeren zonder bladsteel vast. De
bladeren bestaan uit drie of vijf slippen en staan twee aan twee tegen over
elkaar. Ze lijken wel wat op hennep. Dat blijkt ook uit haar Latijnse naam want
die luidt : Eupatorium Cannabinum. Dat laatste woord verwijst nar Cannabis wat
aan hennep doet herinneren. De kleine bloemetjes staan in groepjes bijeen wat
wij een korfje noemen. Alle bloemkorfjes samen vormen een vrij dichte, ietwat
platte, half-bolvormige tros. De kleur van deze platte tros is meestal
roodpaars, soms ook roze-rood. Sommigen spreken ook over een vleeskleur, zeker
als de bloei al wat verder gevorderd is. Heel zelden is de kleur ook wit, doch
Fjildman heeft de witte kleur nog nooit aangetroffen. Men kan de plant vinden
tussen het riet of zo aan de waterkant, maar steeds op vochtige plaatsen, waar
niet gemaaid wordt. Want maaien verdraagt zij beslist niet. Vanuit de boot heeft
U de plant zeker wel gezien. Ook in de Oude Venen tussen Earnewâld en Grou komt
ze veelvuldig voor. De bloemen worden veelvuldig bezocht door allerlei insecten.
Soms is de platte bloemtros overdekt met veel vlinders zoals de dagpauwoog,
kleine vos en distelvlinder, maar een uur later kunnen die dan weer plaats
hebben gemaakt voor vele bijen en hommels. Maar soms is ze ook overdekt met
allerlei kleine vliegjes. Al deze insecten komen af op de honig, die de plant
bij volle zon ruimschoots bevat. De plant is niet giftig en ook niet
geneeskrachtig. De enige waarde die ze heeft is het feit dat ze het landschap
opsiert en dat vele insecten er voedsel en bescherming vinden.
Waterdrieblad is één van onze mooiste inlandse
bloemen, zo niet de allermooiste. Mochten orchideeën de naam hebben, velen
vinden deze bloem de mooiste. Ze bloeit met vijf helderwitte kroonblaadjes
waarop hele mooie, franje-achtige haren zitten. Wij vermoeden dat die beharing
nodig is om de honig tegen regen te beschermen. Ook nemen we aan dat deze haren
de bloem beschermen tegen kleine insecten, die daardoor niet voor de bestuiving
kunnen zorgen. Bijen en hommels doen dat wel en juist zij zouden hoofdzakelijk
voor de kruisbestuiving zorgen. Boven deze prachtig gevormde bloemen staan
rozerode knoppen die de tros er schitterend uit laten zien. De bloeitijd is van
april tot juni, met soms een lichte nabloei in september en oktober.
In de grond, meestal onder een laagje water, heeft ze een kruipende wortelstok met daaraan grote drietallige bladen. Daar bovenuit komen dan de lang gesteelde bloemtrossen. Aan deze drietallige bladen dankt de plant haar naam. De naam waterklaver is hier en daar ook bekend, al is het beslist geen klaversoort. Door haar kruipende wortelstok speelt deze fraaie plant een belangrijke rol bij het vervenen van diverse waterpartijen. De plant is niet giftig, maar wel bevat ze een bitterstof en een weinig sapotinen. Net als kalmoes is ze eetlustopwekkend, doch niet zo krachtig als kalmoes. Een thee uittreksel van bladeren wordt ook gebruikt als koortswerend middel. Maar ze heeft meer met kalmoes gemeen. De gedroogde bladeren van waterdrieblad worden met kalmoes gebruikt voor berenburg. Overigens worden voor berenburg nog veel meer kruiden gebruikt.
We kunnen de plant aantreffen op het Noordelijk halfrond zowel in Amerika, Europa als Azië. Heel merkwaardig is dat er maar één soort van bekend is, iets wat in de plantenwereld niet vaak voorkomt.
Haar latijnse naam is Menyanthes Trifoliata.
Een sprinkhaan heeft stekeltjes aan de
achterpoot. Daarmee raspt hij over zijn vleugels die dan in trilling raken en zo
geluid geven. Men zou het geluid een beetje kunnen vergelijken met het geluid
wat een freewheelende fiets vroeger maakte. Het geluid, wat de
sprinkhaanrietzanger maakt, doet op zijn beurt weer denken aan het geluid van de
sprinkhaan. Vandaar ook zijn lange naam. Ons vogeltje kan dit snorrend geluid
vrij lang volhouden. Het is een heel typisch geluid wat men 's morgens en vaak
ook 's avonds kan beluisteren. Sommige vogelkenners beweren dat men door dit ver
dragende geluid de plaats van dit twaalf en een halve centimeter kleine vogeltje
moeilijk kan aanwijzen. Bij goed luisteren kan men bij het snorrend geluid ook
nog een hoog ietwat metaalachtig gerinkel waarnemen. Het is een onopvallend
bruin vogeltje, wat aan de onderkant iets lichter van kleur is. Dit bruine
vogeltje heeft een spits snaveltje wat aanwijst dat het een insecteneter is. Dat
klopt ook, want het voedsel bestaat uit insecten en larven, die ze in hun
territorium vinden.
De sprinkhaanrietzanger is bij ons zomergast. Half april kunnen we hem hier verwachten en in september vertrekt hij weer naar Noord-Afrika. Het territorium van dit vogeltje moeten we zoeken in rietlanden en vaak ook in niet al te droge duingebieden. In de Oude Venen van Eernewoude is hij elk jaar te horen o.a. in de rietvelden ten N.O. van de Langesloot, daar waar Marrekrite haar aanlegsteigers heeft. In hun territorium bouwen beide vogels aan het nest. Dit nest moeten we op de grond zoeken of soms ook vlak boven de grond. Het wordt gemaakt van licht plantaardige materialen en wordt goed beschermd door de omringende vegetatie. Heel leuk en ook heel markant is dat naar het nest toe een tunneltje is gemaakt, zodat de vogels enigszins beschut bij het nestje kunnen komen. Het nest heeft daardoor een wat flesachtige vorm. Het vrouwtje legt in de laatste helft van mei vier tot zes eitjes in het nest, welke door beide ouders worden bebroed. Bij zangvogels is dit vrij normaal daar beide vogels onderling weinig van kleur verschillen. Reeds na ongeveer elf dagen verlaten de jongen het nest en zijn dan spoedig vliegvlug.
Te horen kunt U de sprinkhaanrietzanger wel krijgen, maar te zien wordt héél moeilijk, want ze zijn zeer schuw en ze leiden een verborgen leven. Het zijn echter bodemdieren die heel snel door de dichte vegetatie rennen en niet snel opvliegen.
De Latijnse naam is Locustella Naevia.
De sprinkhaanrietzanger heet tegenwoordig sprinkhaanzanger. Leuk om te vermelden is dat dit vogeltje tegenwoordig ook voorkomt in het Oude Riet en in ons eigen Kolonelsbos in Grootegast. (Red.)
Tandzaad behoort tot de composieten. Na de
orchideeën is dit, over de gehele wereld gezien, de grootste familie. In onze
omgeving zijn een vijfde deel van de bloemen die we tegenkomen, familie van de
composieten.
Na de grassen is het in Europa de grootste familie. Het is dan ook niet moeilijk om een hele reeks familieleden op te noemen zoals paardebloem, dahlia, chrysant, andijvie, witlof, korenbloem, distels en nog veel meer. Wat wij als bloem zien is geen bloem, maar een samenstel van vele kleine bloempjes op een gemeenschappelijke bloembodem. Wat wij als kelkbladeren rondom het bloemhoofdje waarnemen, zijn helemaal geen kelkbladeren. Men noemt ze omwindselbladeren. Bij de meeste composieten zijn deze omwindselbladeren groen, doch bij tandzaad zit er een ietwat bruinige gloed bij. Composieten hebben twee soorten bloemetjes en wel : lintbloemen en buisbloemen. Een paardebloem heeft uitsluitend lintbloempjes maar bijvoorbeeld een madeliefje en chrysant heeft beide. De buitenste bloempjes zijn de lintbloempjes en wat wij als hartje zien zijn buisbloempjes. Of het nu een lint- of buisbloempje is, beiden zijn meestal complete bloemetjes.
Het kroonblaadje is het lintje of het buisje. Daar binnen zitten vijf meeldraden. Een meeldraad bestaat uit een helmdraad en een helmkopje. Bij alle composieten zijn de vijf helmkopjes vergroeid en vormen zo een kokertje wat op vijf dunne steeltjes zit. Het stuifmeel ontstaat aan de bovenkant van zo'n vergroeid kokertje. Pas nadat het stuifmeel rijp is en vaak al meegenomen is door allerlei insecten groeit het stampertje omhoog uit het midden van dat kokertje. Zoals hier omschreven, gaat het ook bij tandzaad. Tandzaad heeft uitsluitend buisbloempjes. Lintbloempjes ontbreken. Als de bloemetjes van zo'n bloemhoofdje uitgebloeid zijn, vallen al die buisbloempjes af en blijven de zaadjes op de bloembodem achter. Elk zaadje van ons tandzaad heeft drie scherpe naaldjes met weerhaakjes. Als het zaad rijp is, blijven deze weerhaakjes aan de veren, haren of kleding van langskomende levende wezens vastzitten. Na verloop van tijd breken de naaldjes af en valt het zaadje op de grond. Op deze manier raakt het zaad soms heel ver verspreid. Het tandzaad, waar wij nu over gelezen hebben, heet Driedelig Tandzaad. Haar Latijnse naam is Bidens. Maar er zijn nog enkele andere soorten bekend zoals Zwart Tandzaad, Knikkend Tandzaad en vergroeidbladig Tandzaad.

De haas, welke bij ons voorkomt, heet officieel Europese veldhaas en zijn Latijnse naam is Lepus Europaeus. Van de verschillende hazen die op de wereld voorkomen is de Europese veldhaas de meest bekende soort, omdat van hem het eerst een wetenschappelijke beschrijving is gegeven. Hij wordt ongeveer 60 cm lang, heeft een staart van 9 cm en weegt gemiddeld 3,5 kg. De kleur is bruingeel, maar nek en schouders lijken iets roder. De buik is wit. Op de zijkanten van de snuit zit iets geel. het mannetje is wat kleiner dan het vrouwtje en heeft wat meer rood op de schouders. Hazen leven alleen en liggen overdag het liefst te slapen in hun leger. het leger is niet meer dan een langwerpig ondiep kuiltje op d grond, ietwat verscholen achter de begroeiing. Tegen de avond worden ze wat actiever en is het tijd om te gaan eten. Dit zal steeds plantaardiger zijn. Voor in de bek hebben ze enkele snijtanden zitten, die voortdurend doorgroeien. Daarom moeten ze regelmatig hardere plantendelen met hun scherpe snijtanden snijden, waardoor de tanden afslijten. Het doel van dit afslijten is dat de tanden scherp blijven en het voedsel vrij fijn vermaalt in de maag aankomt. Plantaardig voedsel is moeilijker verteerbaar dan vlees. Daar moet het darmkanaal op zijn ingesteld.De natuur lost dit op door zo'n dier uit te rusten met een groot lijf, waar veel darmen in zitten. Nu heeft de haas geen ander middel om zich te verdedigen tegen vijanden dan snel weg te lopen. bij een grote buik zou dat lastiger gaan en daarom moet het voedsel wat fijn verdeeld in de maag aankomen. Want de haas kaan heel hard lopen, waarbij ze op volle snelheid plotseling van richting kan veranderen. Wij noemen dat haken slaan. Geen enkel ander dier doet hem dat na. Bovendien kunnen ze harde lopen vrij lang uithouden, waardoor gezonde en sterke hazen meestal aan hun vijanden eten te ontkomen. Maar tegen een schot hagel, afgevuurd door een jager, zijn ze niet bestand. Door deze jacht wordt de hazenpopulatie kunstmatig in stand gehouden.
In het voorjaar, in de paartijd, zie je hazen dikwijls in losse groepjes bij elkaar. de jager spreekt dan over rammeltijd, want een mannetje haas heet bij de jager een rammelaar. In deze tijd kan men rammelaars zien vechten. Soms staan ze daarbij op hun achterpoten en maken boksende bewegingen naar elkaar toe. Ook kunnen ze met de lange achterpoten fors naar achteren slaan. Door dit drukke gedoe wordt de gunst van een vrouwtje gekregen, waarna er gepaard kan worden. Na ruim vier weken worden de twee tot vier jongen geboren. Zij hebben direct de ogen open en zijn reeds behaard. meteen na de geboorte kunnen ze al lopen. Al vrij spoedig maakt het jonge haasje zijn eigen legertje, waar het door de moeder bezocht wordt om te worden gezoogd. Mocht u in april zo'n jong haasje aantreffen, dan raad ik u aan om het NIET aan te raken. Hazen zijn erg waaks, zelfs in hun slaap, maar ook achterdochtig. Als zo'n jong naar mensen ruikt, loopt het de kans om verstoten te worden. Beter is het om er maar een foto van te maken, want die kan men net zo vaak bekijken als u maar wilt. Overigens kan men jonge hazen het hele jaar door aantreffen.
Hazen zijn beslist niet schadelijk, behalve in lange strenge winters, want dan willen ze hun voedsel nog wel eens in moestuinen zoeken, daar voerenkool en spruitjes voor hun onweerstaanbaar zijn. Moestuinen, aan de rand van dorp of stad zijn in barre winters vaak daardoor een teleurstelling voor de hard werkende tuinier. De hazen komen 's nachts, wanneer de tuinier en zijn hond slapen.
Hazen zien slecht. Als ze wegrennen, blijven ze vaak even roerloos op de achterpoten staan. Gebleken is, dat ze dan alleen maar bewegende voorwerpen zien. Als de haas stilstaat en met zijn kopje ronddraait, maar u blijft dan ook stilstaan, zullen ze u niet opmerken.
Het gehoor is zéér scherp en blijft ook tijdens de slaap nog vrij actief. Aan de bewegende neusvleugels is wel te zien, dat de haas ook goed ruikt. Het verschil tussen een haas en een konijn zit hem in de lengte van de achterpoten. Verder zijn hazen en konijnen wel nauw verwant. Toch komen kruisingen niet voor. De oren van de haas noemen we lepels.
De kauw is een lid van de kraaienfamilie, welke ongeveer 100 soorten omvat. Andere familieleden zijn roek, zwarte kraai, Vlaamse gaai, ekster, raaf en anderen. De kauw is ongeveer 33 cm groot en daarbij één van de kleinsten uit deze familie bij ons. De Vlaamse gaai brengt het tot 35 cm. Onze kauw, die wij vaak met ka aanduiden, kunnen we herkennen aan de zilvergrijze nek. Voor de rest is hij zwart, ook de poten en snavel hebben de zwarte kleur. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
In het voorjaar maken beide vogels het nest. Dit bestaat uit een slordige stapel takken, waarboven het nest van wat fijnere materialen wordt gebouwd wat tenslotte bekleed wordt met wol of haar. In de laatste helft van april tot begin mei worden daarin drie tot zes licht blauwe eieren met enkele donkere vlekjes gelegd. De eieren worden in 17 tot 18 dagen door het vrouwtje uitgebroed, waarbij zij gevoerd wordt door het mannetje. Als eenmaal de eieren zijn uitgekomen, worden de jongen door de beide ouders gevoerd en al na 30 tot 35 dagen verlaten de jongen het nest omdat ze dan al kunnen vliegen. Wanneer ze twee jaar oud zijn, zoeken ze een partner. Ze blijven elkaar levenslang trouw, ook buiten het broedseizoen. Heel vertederend is te zien hoe ze de snavels kruisen. Ik heb jarenlang tegenover een schoorsteen gewoond, waarin een paartje nestelde. Het kruisen van de snavels was in alle seizoenen wel waar te nemen.
Kauwen leven in losse groepen waarbij gebleken is, dat in een kauwenmaatschappij een duidelijke rangorde in belangrijkheid bestaat. Aan deze rangorde heeft iedere kauw zich te houden.
Vroeger broeden ze vaak op de kliffen, doch al spoedig hebben ze zich aan de menselijke samenleving aangepast. Overal waar maar holen ontstaan, kunnen ze hun nesten maken. Dat kan zijn in boomholten, schoorstenen, oude gebouwen en zelfs torens. Aan dit laatste feit dankt ze haar naam van torenkraai.
Het voedsel is heel gemengd en kan bestaan uit insecten, larven, graan, onkruidzaden, uitwerpselen van honden, bessen, kleine dieren, eieren, jonge vogels, aas, gekookte aardappelen, brood en nog veel meer.
Van de kauw doen de wildste verhalen de ronde en hebben we ook de gekste dingen waargenomen. Heel bekend is het feit dat ze allerlei glinsterende dingen verslepen, wat wij dan al spoedig STELEN noemen. Ook is waargenomen dat ze brandende peuken naar het nest slepen, waarna een dergelijk nest dan in brand kan vliegen. Op deze manier is zelfs de top van een boom zwart geblakerd. De brandweer stelde bij onderzoek vast, dat het vuur in een boomholte was begonnen, waar de kauwen hun nest hadden gemaakt. Ook kan men ze aantreffen op de rug van een schaap. In het broedseizoen pikken ze dan stukjes wol mee voor het nest. Daarbuiten zoeken ze vaak naar insecten en larven in de wol.
De kauw houdt zich graag op in een menselijke omgeving waardoor hij goed waargenomen kan worden. Het geluid dat ze maken is het ons bekende ka, ka, waaraan zij haar volksnaam van ka heeft te danken. Wie echter scherper waarneemt, ontdekt al vrij snel dat de kauw een grote verscheidenheid aan geluiden weet te maken. Sommigen onder de kauwen kunnen goed imiteren en zo’n tamme kauw kan zelfs aardig leren praten. Toch moet men er rekening mee houden, dat niet elke tamme kauw kan leren praten. Daarom sneed men vroeger de tongriem wel stuk, maar deze marteling had geen zin, want de kauw gebruikt zijn tong niet voor het vormen van geluiden.
De Latijnse naam voor Kauw is Corvus moedula.
Look zonder look is een wit bloeiende plant
met bloemetjes die iets weg hebben van de pinksterbloem, alleen de plant is veel
groter en de bladeren zijn ook anders. De bovenste bladeren zijn hartvormig met
ondiepe insnijdingen. De onderste bladeren zijn rond of soms wel iets
niervormig, maar wel met dezelfde insnijdingen als de bovenste bladen.
De bloeitijd valt in april en mei. De vrucht, waar de zaden in zitten, is vrij lang en vaak rolrond, doch soms kunnen ze ook iets kantig zijn. Zo’n vrucht noemen we een hauw.
De bloeiwijze is een langgerekte tros, behalve in het begin, want dan is de bloeiwijze nog een platte tros. In dit stadium vind ik de plant het mooist. Vanaf nu gaat de tros zich strekken. Bovenaan zitten dan nog de knoppen, daaronder de bloeiende bloemen, dan jonge vruchten en daar weer onder de rijpe vruchten. Deze bloeiwijze is kenmerkend voor de kruisbloemigen, wat de familienaam is van Look zonder look. Nog een ander in het oog springend kenmerk is dat de vier kroonblaadjes een soort kruis (plusteken) vormen. Aan dit laatste heeft de familie haar naam van kruisbloemigen te danken. In de bloem treffen we zes meeldraden aan waarvan er twee kort zijn en de andere vier zijn wat langer. Look zonder look moeten we niet in het openveld zoeken, maar in struikgewas en ook wel in bosranden.
Het is een tweeharige plant. Als het zaad op een goede plek terecht komt, groeit het uit en vormt het een wortelrozet, zoals we dat ook bij de paardebloem kennen. In deze bladeren slaat ze wat reserve voedsel op, waardoor ze in het volgende voorjaar vrij snel kan opschieten en gaat bloeien. Na de zaadvorming sterft ze af.
Tot de familie van de kruisbloemigen behoort de pinksterbloem en veel voedsel planten zoals boerenkool, spruitkool, witte- en rode kool, mosterd, radijs en ramenas.
Look zonder look is niet giftig, maar heeft ook geen geneeskrachtige werking.
De plant is momenteel bezig zich in onze omgeving uit te breiden. Overal waar een ruige vegetatie voorkomt, kunnen we deze vrij hoge plant van 60 tot 100 cm. aantreffen. In brede afscheidingen voelt zij zich heel aardig op haar plaats.
In de duinen komt ze ook regelmatig voor en daar leeft de oranjetipvlinder op de plant. Het is een wit vlindertje met opvallende oranje vleugeltippen. Buiten de duinen geeft dit vlindertje de voorkeur aan de pinksterbloem,
De naam van de plant heeft ze te danken aan het feit, dat als men de bladeren stuk wrijft er een geur van uien (=look) te voorschijn komt, terwijl het blad helemaal niet op dat van uien of prei lijkt. Zelfs in de verste verte is het geen familie van de uiensoorten, doch de uiengeur heeft ze zeer beslist wel. Vandaar de naam Look zonder look. Ze ruikt alleen maar op Look, maar het is geen look.
De Latijnse naam is Alliaria officinalis.
Brunel is een plantje van een klein geslacht met maar vijf soorten, die we kunnen vinden in Europa, Azië en Noord-Afrika. In ons land kunnen we het plantje vinden langs wegen en dijken en op grazige gronden. Aangezien ze maaien heel goed verdraagt, komen we haar dikwijls tegen in gazons, waar het soms een hinderlijk onkruid kan vormen. Zeker wanneer de maaier niet al te kort maait. Nu is zéér kort maaien ook niet goed voor het gazon en dus krijgt Brunel daar volop een kans.
De bladeren zijn langer dan breed en de bladrand is een beetje golvend. De stengel is vierkant en de bladstand is kruiswijs. Op elke knoop (een knoop is een soort verdikking van de stengel) zitten twee bladeren tegenover elkaar. Het bladpaar dat daar onder of daar boven staat, zit hier weer haaks op. Van boven af gezien lijken ze een kruis te vormen.
De familienaam van de Brunel is Lipbloemigen. Wanneer men de moeite neemt om één enkel bloemetje te gaan bekijken, is die familienaam ook wel logisch want het paarse bloemetje heeft een duidelijke onder- en bovenlip. De twee lippige bloemetjes staan in een korfje bijeen, waartussen nog enkele groen blaadjes zitten. Met enige fantasie kan men in het bloemkorfje een ouderwetse bijenkorf zien, maar dan wel een mini.
Brunel is een vaste plant en komt daardoor elk jaar op dezelfde plaats terug. In het gazon kruipt de stengel tussen de grassprieten door en daar waar twee bladeren zitten, ontwikkelen zich vaak ook wortels, waardoor het plantje langzaam voort kruipt.
In ons land komt ook nog de witte Brunel voor. Deze is afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa, doch zelf heb ik deze witte Brunel nog nimmer gevonden. In Zuid-Limburg is zelfs een keer een bastaard gevonden tussen onze Brunel en de witte Brunel.
De Brunel is niet giftig en heeft ook geen geneeskrachtige werking. Misschien is het enige nut wel dat ze het korte gras door haar leuke bloeiwijze een paarse gloed kan geven. Ze bloeit van juni tot en met september. De Latijnse naam is Prunella Vulgaris.
Omstreeks half maart tot begin april kunnen we in bepaalde, vaak ondiepe slootjes het gebrom of geratel van de Bruine kikker horen. Luid kwaken,
zoals de Groene kikker dit in de zomer doet, is er bij de Bruine kikker niet bij. Meestal is het ’s avonds, als andere geluiden verminderd zijn, wel hoorbaar. Toch is de Bruine kikker geen nachtdier. Komen we de volgende dag bij zo’n slootje terug, dan zien we vaak al een hele dikke kluit kikkerdril liggen. Het zwangere vrouwtje heeft dat geproduceerd. Doch dat gaat niet zo maar. Het zijn de mannetjes die het eerst ontwaken uit de winterslaap. Georiënteerd door zon en sterren vertrekken de mannetjes in een voor hen bekende richting, die ze vorige jaren met succes hebben gevolgd. Ontmoeten ze nu water dat hen geschikt voorkomt, dan blijven ze daar en met een zacht gekwaak (geratel) lokken ze vrouwtjes. Onder invloed van hormonen heeft het mannetje een sterke klemdrift ontwikkeld. De bedoeling is dat het mannetje met zijn voorpoten een wijfje omklemd om zo tezamen het droge kikkerdril naar buiten te persen, waarna het mannetje dit dril met zijn sperma besproeit. Het leggen van dit kikkerdril gaat heel snel en is in ongeveer vijf seconden gebeurd. Het bestaat soms wel uit duizend tot twee duizend eicellen met om elke eicel een vliesje protoplasma. Op het moment van leggen kan het sperma van het mannetje door dat dunne vliesje heen dringen. Het dril zinkt nu en het vliesje gaat aanzienlijk opzwellen, waardoor het kleine kluitje fors in omvang toeneemt tot het ons bekende kikkerdril. Het gaat nu ook drijven. Het opgezwollen vliesje werkt dan als een lens, die zonnewarmte naar de zwarte eicel voert, waardoor deze begint te delen en te groeien. Zo ontstaan de ons bekende kikkervisjes. Na ruim een dag laat het mannetje dit vrouwtje los. Eén mannetje kan in het voorjaar het legsel van meerdere vrouwtjes zo bevruchten. Ook komt het voor dat het mannetje zijn klemdrift op andere zaken uitoefent. Bekend is dat zo ook het Driedoornige stekelbaarsje wordt omklemd. Als de voorpoten dan over de kieuwdeksels van dit visje aangrijpen, kan de vis niet meer ademen en sterft.
Wanneer het kleine kikkervisje uit haar protoplasma-omhulling te voorschijn
komt, heeft het uitwendige kieuwen, maa
r nog geen mondopening. Die mondopening
komt later, wanneer er over de uitwendige franje-achtige kieuwen een vlies
groeit. Vanaf dan kunnen de kikkervisjes eten. Dat bestaat uit algen, als die
tenminste in het water voorkomen. Want soms heeft het mannetje ook een plas
water uitgekozen, die weinig voedsel bevat voor de jongen en vaak na enkele
weken gaat uitdrogen. In dat geval sterft het jonge broed. Maar gaat het goed,
dan groeit het kleine kikkervisje uit tot een dikkopje. Als ze groot genoeg zijn
ontwikkelen zich, onder invloed van hormonen, longen. Dat gebeurt bij alle
kikkervisjes in het slootje gelijktijdig, omdat de hormonen in het water worden
afgescheiden. Daarna begint de groei van de achterpoten en schrompelt de staart
in. Aanvankelijk was de staart héél belangrijk, want zij diende als
ademhalingsorgaan.
Longen en huid nemen deze functie nu over. Als de achterpoten flink zijn ontwikkeld komen daarna de voorpoten, Nu gaat het al wat op een klein kikkertje lijken en is het tijd dat hij het vochtige land opzoekt. Vochtig zal het dan wel zijn omdat het dan al herfst is geworden. Als volwaardige kleine kikkertjes zoeken ze later in de herfst een plekje op om, vaak gezamenlijk, te overwinteren. Na drie tot vier jaar zijn onze kikkervisjes volwassen geworden en kunnen zij deelnemen aan de voortplanting. Door een klein stukje kikkerdril in een ruime jampot met water te stoppen, is het hele proces te volgen. Voor voedsel is het goed wat flap (dit zijn lange groene draadalgen) toe te voegen. Wanneer de achterpootjes ontstaan moet er een drijvend plakje bij komen, omdat de longen dan zo ver ontwikkeld zijn, dat ze af en toe moeten ademhalen. Overigens is het nu wel een goede zaak om het potje of de kleine wekfles in het slootje te legen waar in het voorjaar het dril uitgekomen is.
De Bruine kikker komt in geheel Europa en Azië voor met enkele kleine uitzonderingen van o.a. de Kleine Hebriden. In het voorjaar treffen we ze in het water aan voor het paren, de rest van hun leven zijn het landdieren van vochtige omgevingen. Het voedsel van de Bruine kikker bestaat vooral uit kleine slakjes, verder kevertjes, rupsen, pissebedden, maar ook spinnen, duizendpoten en insecten staan op het menu. Uit het water vangen ze nog waterkreeftjes. Bruine kikkers zijn koudbloedige dieren. Dat houdt in dat hun levenswijze sterk wordt beïnvloed door de omgevingstemperatuur. De winterslaap begint in oktober, maar is ook afhankelijk van de gemiddelde omgevingstemperatuur. Vijanden heeft de Bruine kikker genoeg, want er zijn veel dieren en ook wel vogels die kikkers op hun menu hebben staan. De Latijnse naam van de Bruine kikker is Rana temporaria.
Tot slot nog één opmerking ! De kleur van de bruine kikker is nogal gevarieerd van licht groen tot zeer donker bruin.